Efficiëntie in taal: mag het iets meer/minder zijn?

Efficiëntie in taal: mag het iets meer/minder zijn?

februari 2020

Hoeveel moet je echt zeggen om een zin samen te stellen? Net zoals vissen allicht niet weten dat ze nat zijn, beseffen veel mensen niet dat hun taal maar één van oneindig veel manieren is waarop ze zich had kunnen ontwikkelen.

Talen verschillen enorm in de hoeveelheid details die een spreker moet verstrekken om een degelijke zin te krijgen. Neem bijvoorbeeld deze eenvoudige zin: “De vader zei ‘Kom hier!’” Deze verklaring specificeert dat er een vader is, dat hij de daad van spreken in het verleden heeft gesteld en dat hij heeft aangegeven dat de aangesproken persoon hem moet benaderen op de plek ‘hier’. Wat zou een taal verder nog moeten doen?

Wel, voor een Duitse spreker alvast meer. “Der Vater sagte ‘Komm her!’” lijkt misschien een variant op de Nederlandse zin, maar er is nog meer aan de gang. ‘Der’, het woord voor ‘de’ is één van verschillende opties. Het is het woord dat alleen voor mannelijke substantieven wordt gebruikt. Als de zin over een moeder zou gaan, zou het vrouwelijke ‘die’ aan de orde zijn. Als het om een meisje zou gaan, zou er het onzijdige ‘das’ moeten staan. Het woord voor ‘zei’, ‘sagte’, bevat een suffix voor de derde persoon enkelvoud. Als het ‘jij zei’ was geweest, dan zou het ‘sagtest’ moeten zijn. In het Nederlands zijn die vormen in de verleden tijd identiek. Dan staat er verder nog ‘her’ om ‘hier’ uit te drukken, wat ‘naar hier’ betekent. In het Duits moet men het wat shakespeareaanser aanpakken en eigenlijk ‘herwaarts’ zeggen als dat is wat er bedoeld wordt. ‘Hier’, gewoon in de betekenis van ‘hier aanwezig’, is in het Duits eveneens ‘hier’.

Het Duits besteedt dus meer aandacht aan het geslacht van mensen en dingen, en aan wie de drijvende kracht is achter de actie: ik, jij, zij, hij, wij of jullie. Verder verwacht het Duits ook dat niet alleen wordt aangegeven waar iemand is, maar ook of die persoon nadert of zich verwijdert. Duits is over het algemeen ‘compacter’ dan het Nederlands, en toch vinden Duitsers dat hun manier van dingen formuleren net zo normaal is als wat Nederlandstaligen denken over hun aanpak.

Andere talen zijn nog extremer in hun langdradigheid of beknoptheid. Zo is een manier om “De vader zei ‘Kom hier!’” te zeggen in het Mandarijn: “Fùqīn shuō ‘Guò lái zhè li!’” Net als in het Nederlands is er geen indicator voor het geslacht van de vader en de vorm van het woord “shuō’ – dat ‘zei’ betekent – geeft ook niet aan of de spreker ik, jij of hij is. Het woord ‘hier’ ‘zhè li’, kan ‘precies hier’ of ‘naar hier’ betekenen, net zoals in het Nederlands. Het Mandarijn gaat echter nog verder in die telegramstijl. Er is geen bepaald lidwoord zoals ‘de’. Het woord ‘zei’ mist niet alleen een suffix om de persoon te specifiëren, maar bevat ook geen indicator voor de tijd; het betekent gewoon ‘zeggen’. Er wordt van uitgegaan dat de context wel uitwijst dat deze gebeurtenis in het verleden heeft plaatsgevonden. Een belangrijk onderdeel van Mandarijn leren, is achterhalen hoeveel je kunt weglaten om een aanvaardbare zin over te houden.

Als er een prijs zou bestaan voor de drukste taal, dan zou die gaan naar een taal als het Kabardisch, ook wel Kabardijns genoemd, die wordt gesproken in de Kaukasus. In de eenvoudige zin “De mannen zagen mij.” is het woord voor ‘zagen’ ‘sǝq’ayǝƛaaɣwǝaɣhaś’ (grofweg uitgesproken als “suk-a-LAG-a-HESJ”). Dit lijkt een monsterlijk woord, maar ondanks zijn hoge superkwalikwantiviaextraquasiotischgehalte is het voor sprekers van het Kabardisch net zo gewoon als ‘zagen’ dat is voor Nederlandstaligen. Karbadischtaligen moeten in hun versie gewoon veel meer informatie proppen. Het woord ‘sǝq’ayǝƛaaɣwǝaɣhaś bevat – naast het deel dat ‘zien’ betekent – een stukje dat herhaalt dat ik het ben die gezien werd, ook al bevat de zin elders nog een apart woord voor ‘ik’. Dan zijn er nog enkele stukjes die aangeven dat het zien het meest van belang was voor ‘mij’ in plaats van voor de mannen of voor iemand anders, dat meer dan één persoon zag (ook al vermeldt de zin elders expliciet dat het ‘mannen’, in het meervoud, waren die de actie uitvoerden), dat dit niet gebeurde in het heden, dat het bovendien specifiek gebeurde in het verleden en niet in de toekomst en, tot slot, dat de spreker echt meent wat hij zegt.

Het Riau-dialect van Sumatra zou dan weer de prijs voor de zuinigste taal in de wacht kunnen slepen. In dat dialect betekent ‘ayam’ kip en ‘makan’ eten, maar “Ayam makan” betekent niet alleen “De kip eet.” Afhankelijk van de context kan met “Ayam makan” worden bedoeld dat “kippen eten”, “een kip eet”, “de kip is aan het eten”, “de kip zal aan het eten zijn”, “de kip eet”, “de kip heeft gegeten”, “iemand eet de kip op”, “iemand is aan het eten voor de kip”, “iemand eet met de kip”, “de kip die aan het eten is”, “waar de kip eet” en “wanneer de kip eet”. Als het om kippen en eten gaat, veronderstellen Riau-sprekers dat iedereen in het gesprek wel weet hoe de vork in de steel zit.